Het liefst in stilte vertrokken

DE STENTOR, Erik Voermans, 11 juli 2015.
Violiste Emmy Verhey was het liefst in stilte vertrokken

‘Ik voel me geen kanon van de klassieke muziek’
Violiste Emmy Verhey (66) gaat met pensioen. Het is mooi geweest na een carrière van een halve eeuw.

„De muziekwereld is commerciëler geworden”, vindt ze.
Eigenlijk was ze van plan er tersluiks ‘tussenuit te piepen’. Dan kon ze tegen mensen zeggen die wel weer eens een concert van haar wilden bezoeken: O, maar ik speel al jaren niet meer. Emmy Verhey heeft een subtiel gevoel voor humor. Maar van ertussenuit piepen, daar wilden de mensen die haar bewonderen en liefhebben, natuurlijk niets van weten. Het zou ook zeer ongepast zijn geweest. Een musicienne met haar status, in haar hoogtijdagen te vergelijken met die van Janine Jansen nu, verdient een afscheid met alle bijbehorende egards. En dus komt er in november een concert in de Amstelkerk en in september een boek, waarin ze haar veelbewogen leven in de vorm van interviews uit de doeken doet.

Deze zomer is ze ook nog één keer de spil zijn in het Emmy Verhey Festival in haar woonplaats Zaltbommel.

En dat is het dan?
„Ik krijg nu op de valreep uit alle hoe­ken en gaten te horen dat ik een van de kanonnen van de Nederlandse klassieke muziek ben geweest. Maar voor mij voelt dat niet zo. Misschien omdat ik de laatste twintig jaar zo verrekte weinig met orkesten heb ge­speeld, waardoor je toch een beetje uit het limelight verdwijnt. De oorza­ken zijn complex, maar het komt er­op neer dat je ouder wordt, dat de muziekwereld steeds commerciëler is geworden en dat ik, toegegeven, op het gebied van internet en nieuwe media wel steken heb laten vallen.”

U bent 54 jaar lang geïnterviewd. Wat was de grootste ergernis?
„Dat je altijd maar weer diezelfde din­gen over jezelf moet vertellen. Ik heb dat echt wel gehad. Ook nog een re­den om ermee op te houden.”

Maar dat is toch het lot van de sterso­list?
„In wezen ben ik geen solist. Ik vind het veel leuker om kamermuziek te maken. Samen aan stukken knutse­len.”

Emmy Verheij_jong_talentWanneer kwam u erachter dat u geen solist bent?
„Eigenlijk al bij de allereerste keer dat ik op het podium stond, hahaha, bij het Frysk Orkest in Leeuwarden, met de Havanaise van Saint-Saëns. Ik was twaalf. En ik dacht: wat sta ik hier te doen?”

Dat lijkt me eerder de geïntimideerdheid van een kind door een volwassen wereld.
„Is ook wel zo. Maar ik heb het altijd het heerlijkst gevonden als ik het ge­voel kreeg dat het orkest met míj speelde, en we op elkaar reageerden, in plaats van dat ik de grote solist vóór het orkest was. Als de dirigent dat tenminste toeliet.”
Bij welke orkesten had u dat gevoel?
„Het vaakst bij het Concertgebouwor­kest. Ik heb nog steeds heel sterke herinneringen aan het vioolconcert van Lalo, met dirigent Neeme Järvi. Dat was echt geweldig. Dat samen­spel met de blazers was iets onverge­telijks. Residentie Orkest: ook fijne herinneringen aan. Zo’n orkest kon je ook redden. Dan had je geen enkele relatie met de dirigent, en meestal was dat onkunde van z’n man, maar dan schoot het orkest je te hulp. En nu wil je natuurlijk namen horen.”

Inderdaad.
„Het suffe is dat ik die namen allemaal kwijt ben. Echt! Uit m’n systeem geschrapt of zo. Het punt is ook dat je na zo’n vreselijke ervaring nooit meer met zo iemand werkt. Je bent onmiddellijk uit de gratie.”

U hebt grofweg vierduizend concerten gegeven in ruim vijftig jaar. Is er een concert dat eruit springt?
„Tja. Het eerste dat me te binnen schiet, is het Vioolconcert van Beet­hoven met het Concertgebouworkest onder Antal Dorati. Ik moest op het laatste moment invallen voor Salvato­re Accardo. De dag ervoor had ik in Oostenrijk Tsjaikovski gespeeld met het Radio Filharmonisch onder Jean Fournet. Dat was twee dagen achter elkaar feest. Twee keer een liefdevolle omarming.”

Wat was nou hét Emmy Verheystuk in al die jaren?
„Dat was er niet. Ik voel me bij alle muziek thuis. En ik weet ook hoe al die muziek moet worden gespeeld, of het nou Bach, Mozart, Beethoven, Stravinsky, Berg of zelfs Schönberg is. Een van de zeer weinige stukken waar ik geen grip op kreeg, was het vioolconcert van Henkemans. Maar ja, dat heeft Theo Olof zo prachtig opgenomen…”

U hebt les gehad van de grote David Oistrakh, die ook vele onvergetelijke op­namen heeft gemaakt. Hoe ga je als vio­list met die erfenis om?
„Dat is altijd enigszins pijnlijk, eigen­lijk. Ik ben nu bezig met het Erzher­zog Trio van Beethoven en daar bestaat een opname van door Szeryng, Kempff en Fournier. Dan denk je: zo moet het. Maar je kunt je er niet door laten ontmoedigen. Er zijn ook mensen die beweren dat je niet te vroeg aan Beethoven moet beginnen. Dan valt meestal het woord rijpheid. Ik heb dat altijd on­zin gevonden. Je kunt niet vroeg genoeg met de groten beginnen, anders heb je op latere leeftijd domweg een achterstand.”

„Ik speelde het vioolconcert van Beethoven voor het eerst op m’n 15e. Ik had het stuk honderden keren horen spelen door mijn leraar Herman Krebbers en op platen door Arthur Grumiaux en anderen. En nu dacht ik: yes! Hij is nu ook van mij! Want je moet spelen, spelen, spelen. En elke keer valt er dan weer een stukje op z’n plaats.”

Het cliché wil dat als je veel meemaakt, je ook dieper gaat musiceren. Is dat waar, naar uw ervaring?
„Toen ik net moeder was geworden, zeiden mensen die me hoorden spelen: ‘Je kunt wel horen dat je bevallen bent’. Blijkbaar namen ze extra diepgang waar, of zoiets. Ik heb daar hard om moeten lachen. Nee, het zit anders. Ik ben met muziek bezig. En naarmate je ouder wordt, worden de dingen duidelijker, maar ze roepen tegelijkertijd ook meer vragen op. Hoe ver reikt je muzikaliteit? Daar gaat het om. En ook: heb je de juiste personen om je heen die je op een spoor kunnen zetten? Mensen die je inspireren? Alleen maar heel erg veel talent hebben is bij lange na niet voldoende.”

„Dat is een van mijn grote passies: je moet kinderen gewoon alles aanreiken, en júist de kin­deren die dat van huis uit niet krijgen. Daar wordt iedereen beter van. Wat zeg ik: daar wordt de wereld beter van. Dat ze daar in Den Haag niet van doordrongen zijn, kijk naar de teloorgang van het muziekon­derwijs, vind ik werkelijk een van de grote raadsels van deze tijd.”